Site pictogram Tim Bouwhuis

Boekbespreking: Charles Taylor- A Secular Age (2007)

Soms overvalt een boek je met een haast onverklaarbaar aura van alomvattendheid. A Secular Age (2007) van de Canadese filosoof Charles Taylor (1931-heden) garandeert zo’n effect. Ruim achthonderd pagina’s wijdt de katholieke denker aan het verschijnsel dat wij doorgaans samenbrengen onder de koepelterm ‘religie’. Centraal staan hierbij de verschillen tussen toen en nu; in A Secular Age neemt Taylor ons maar al te vaak mee naar de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd, om dan twee pagina’s later weer voort te borduren op een gedachtegoed dat postmoderniteit ademt.

Hoe kunnen we begrijpen dat in de middeleeuwen haast iedereen geloofde? Waren mensen destijds bijgeloviger, vatbaarder voor autoriteit, angstiger? Taylor zoekt en vindt zijn antwoorden vaker wel dan niet in de ideeënwereld. Een evident verband tussen collectief en individu ontvouwt zich met betrekking tot de middeleeuwen: als een sociale meerderheid zich op een specifieke wijze tot de (meta)fysische werkelijkheid verhoudt, is het voor een geisoleerd individu niet vanzelfsprekend zich aan de aanspraken in kwestie te onttrekken. Het individu conformeert zich dus aan het collectief, tot de ideeën van het collectief gaan veranderen.

Taylor bepleit dat ‘de middeleeuwse mens’ haar eigen wezen doorgaans als poreus beschouwde. Hiermee doelt hij erop dat de wereld, en nog specifieker de transcendente, metafysische werkelijkheid te allen tijde tot de mens door kan dringen. De werkelijkheid is, bij monde van Taylor, ‘enchanted’; het fysische en metafysische ontwikkelen zich buiten de invloedssfeer van de mens, maar manifesteren zich vervolgens wel in de vorm van natuurrampen, kwade geesten, goddelijke vergeldingsacties en andere (on)zichtbare fenomenen.

De reuzestappen door de geschiedenis, eindigend bij ‘de’ moderne mens, laten zich niet onbestraft en ongenuanceerd zetten. Taylor doet dan ook niet, maar impliceert wel degelijk een soort blauwdruk voor de overgang van het poreuze naar het zogeheten ‘buffered’ self. De (vrij vertaald) beschermde mens heeft een manier gevonden om zichzelf te onttrekken aan de invloedssfeer van de zojuist besproken fenomenen: hij draait de verhouding tussen subject en object om. Niet langer kunnen (meta)fysische verschijnselen het subject binnendringen, aangezien het subject die verschijnselen zelf vormt/aanschouwt (Kant) en/of op termijn zelfs de ontwikkeling van en differentiatie tussen vormen stuurt (Hegel). Middeleeuwen, renaissance, vroegmoderne tijd, Verlichting; waar je zou kunnen zeggen dat het subject in dat eerste tijdvak (over de begrenzing mag getwist worden) nog nauwelijks bestaat, is datzelfde subject in de Verlichting de basis geworden van kennis en vooruitgang.

Die notie is essentieel voor het idee van Taylors buffered self. Omdat de mens de wereld vormt en begrijpt, is zij niet langer vatbaar voor de fenomenen die dezelfde mens in het verleden nog vormden dan wel beïnvloedden. De mens heeft geen goddelijke realiteit meer nodig, maar belangrijker nog, ze acht haar niet langer vanzelfsprekend. Langzaam verworden de Godsbewijzen van Anselmus van Canterbury (1033-1109) en Thomas van Aquino (1225-1274) van redelijke redenaties tot irrationele speculaties. Rene Descartes (1596-1650) houdt naast zijn door twijfel gevormde subject nog abstracte ruimte over voor een ontologisch godsbewijs, maar paradoxaal genoeg gebruiken door Descartes geinspireerde denkers de lichaam-geestscheiding van de Fransman al om het transcedente steeds meer naar het categorieel onbewijsbare te verdringen.

Alle paradigmatische en ideologische verschuiven daargelaten vervult Taylors buffered self ook een bepaalde nood die eigenlijk altijd al bestaan heeft: die van human flourishing, geluk en benut potentieel. Onder het mom van exclusief humanisme kan de mens haar nood realiseren. De sleutel tot morele vervulling is immers niet gelegen in ongrijpbare metafysische invloedssferen, maar in het historisch bepaalde subject dat actief kan interveniëren in de fysische werkelijkheid. Wie in Taylors seculiere tijdperk nog religieus is, kiest ervoor om de complexiteit van metafysische invloedssferen in stand te houden. Religie kan dienen als een bron van menselijk geluk, maar dient daarvoor de denkbeeldige buffer te omzeilen die de beoogde interventie van religie louter beschouwt als een projectie van de menselijke geest. Taylors A Secular Age bevat daarmee meer morele bespiegelingen dan oorspronkelijk het geval lijkt te zijn. Ik betreed een hellend vlak als ik een uitspraak van Taylor op pagina 244-45 interpreteer als een latent kritische reflectie op het seculiere tijdperk:

‘We need to see how it became possible to experience moral fullness, to identify the locus of our highest moral capacity and inspiration, without reference to God, but within the range of purely intra-human powers’.

Niet de wereld, maar de menselijke geest is in die optiek veranderd. Taylor laat in zijn werk uitstekend zien hoe de ontwikkeling van ratio en wetenschap nooit los hebben gestaan van specifieke mens-en wereldbeelden; de mens was (en is) een bij uitstek moreel georienteerd wezen.

Ik las dit boek in de periode mei-juni voor een vak over filosofie, seculariteit en religiekritiek.

Samenvatting
Datum
Mobiele versie afsluiten