We zijn het weten kwijt

We zijn het weten kwijt. Onze uitspraken over de werkelijkheid om ons heen zijn intrinsiek relatief, want alles is relatief – ook de werkelijkheid. In De Fatale Strategieën haalt de Franse filosoof Jean Baudrillard (1929-2007) een citaat aan van de ongrijpbare denker Elias Canetti (1905-1994), die zijn weeklacht liet klinken over het verlies van de ‘werkelijke’ geschiedenis: ‘’Vanaf een bepaald punt was de geschiedenis niet meer werkelijk. Zonder het te merken verliet de hele mensheid opeens de werkelijkheid: alles wat sindsdien gebeurd was, zou helemaal niet waar zijn; we hadden het alleen niet opgemerkt. Het zou nu onze taak zijn dat punt te vinden, en zolang we het niet hadden, zouden we gedwongen zijn in onze huidige vernietiging te berusten’’.[1] Laat dit ledige tij zich nog keren?

De wereld vormen

Het idee dat de mens als denkend subject de objectieve werkelijkheid om hen heen kan bestuderen, ging op de schop toen denkers als Immanuel Kant (1724-1804) de relatie tussen object en subject verder aanscherpten. Er bestond in de ogen van Kant wel degelijk een objectieve werkelijkheid, maar het idee dat de mens deze direct waarnam berustte op een illusie. In plaats daarvan zag zij de fenomenen, de dingen zoals ze voor het menselijk oog verschenen. Kants zogeheten transcendente vraag bestond eruit hoe we vanuit de fenomenale wereld toe konden treden tot de wereld die zich voorbij de grenzen van de menselijke ervaring bevond.

Talige wending

Een veelgehoord kritiekpunt op de kentheorie van Kant is het feit dat hij nauwelijks of geen aandacht besteedde aan de rol van linguïstiek in onze perceptie van de werkelijkheid. Postmodernen hebben die geleden schade ruimschoots hersteld. Meer dan ooit tevoren is duidelijk dat taal onze perceptie van de werkelijkheid vormt, verandert en manipuleert. Die perceptie is te allen tijde arbitrair, en vloeit voort uit ieder bestaand consensus over de aard van de dingen. Een eenvoudig voorbeeld is dat van de witte tafel in het klaslokaal; het is niet de tafel die we waarnemen (laat staan de ‘witte’ tafel), maar de op zichzelf betekenisloze vorm in de ruimte die binnen de taal betekenis heeft gekregen. Op een gelijke wijze kan ieder ding ‘gedeconstrueerd’ worden tot wat het werkelijk is – een begrip, vorm, concept. Buiten de taal heeft niets in dat verband betekenis. Exemplarisch is een uitspraak van een professor tijdens mijn bachelorstudie: ‘Natuurlijk bestaat God! Dat is een non-vraag. Binnen de taal gebruiken we een betekenisvol concept dat we God noemen, en dat geven we vervolgens weer op talloze manieren vorm’.

Blind voor feilbaarheid

De wetenschappelijke wereld kent methodes, dichtgetimmerde theoretische kaders. Ze beheerst de kunst van het argumenteren, en is bereid haar perspectief te verleggen als nieuwe inzichten zich aandienen. Tegelijkertijd waait de geest van het materialisme immer over die bereidheid. Geen enkele wetenschapper wordt serieus genomen als hij de grens van het toetsbare overschrijdt. Het toetsbare; het theorie, het model, het paradigma. Of, in de Natuurwetenschappen: de hypothese. De Oostenrijks-Britse filosoof Karl Popper (1902-1994) had een sterk optimistische kijk op het epistemologische potentieel van die laatste werkwijze. Uitspraken over de werkelijkheid konden waar of onwaar zijn, tot ze waren gefalsifieerd. Door steeds maar experimenten uit te voeren op basis van hypotheses, kon de wetenschappelijke kennis almaar toenemen. Een uiterst nobel idee – ware het niet dat het ontwrichtende vermogen van een zwakke hypothese of een foute meting die utopie al verstoren kan.

De geschiedenis is op haar beurt een discussie zonder eind. Waar de grondlegger van het Duitse historisme, Leopold von Ranke, nog poogde te achterhalen ‘wie es eigentlich gewesen’ was, strandt een historicus vandaag de dag in een eindeloos historiografisch debat. Dat debat vindt vooral op afstand plaats; wie nog oprecht denkt de dialoog met de geschiedenis te kunnen openen, is het slachtoffer van zijn eigen idylle.

God geëlimineerd

Moeten we die tendens willen doorbreken? Terug naar een haast romantische kijk op de mogelijkheden van het weten? Misschien niet. Niets is zo gevaarlijk als kennis die gewoonweg wordt verondersteld. Toch heeft het wel degelijk zin om te pleiten voor ademruimte. Onze vroege voorvaderen zochten de antwoorden op hun vragen in de metafysica; ideeën over goden ontstonden toen complexe natuurlijke processen ineens een verheffende betekenis kregen. Als Poseidon en Thor bestonden, konden zij toch zeker ook de zee en de donder bewegen, sturen, voortbrengen. De oude Grieken geloofden anders dan de stamleden die Germaanse of Noordse tradities aanhingen, maar geloven deden ze allemaal.

De realisatie dat we dit soort verklaringen niet meer nodig hebben, is misschien wel de belangrijkste resonantie van de Wetenschappelijke Revolutie en de achttiende-eeuwse Verlichting die daarop volgde. In de middeleeuwen hadden de goden van weleer immers nog steeds bestaan: ze hadden alleen een andere vorm (of beter: één vorm) aangenomen, en lieten zich een stuk gemakkelijker exploiteren of overtuigen. Waar de mens in Homerus’ klassieke Ilias nog een speelbal was van goddelijke willekeur, kon diezelfde mens in de (late) middeleeuwen de gunst van God afkopen. De Mens bedwong God voor ze haar hervormde en later voorgoed afschafte.

Een ander weten

Dat betekent echter niet dat er geen vragen meer zijn in het rijk van de metafysica. Deze vragen zijn niet alleen bestaand voor de miljoenen gelovigen op deze aarde, maar ook voor atheïsten, agnostici en andere (vaak zelfbenoemde) sceptici. Het betreft verschijnselen die ons rationele brein ontstijgen, simpelweg omdat we ze niet verklaren kunnen. Verschijnselen ook die we niet kunnen bewijzen, of vangen in theoretische kaders en abstracte begrippen. Laat dat gegeven de noodkreet van het weten zijn – de wetenschap dat we meer mogen doen dan alleen weten. Dat we ons mogen verwonderen in het rijk van het niet-weten, zonder dat we gedwongen zijn alle mogelijke inzichten uit dat rijk op voorhand te verwerpen. Dát doen is vandaag de dag even eenvoudig als kortzichtig. Wie zegt dat er niets is buiten onze werkelijkheid liegt, want om dat te kunnen beweren heeft de uitdager voorbij de werkelijkheid moeten kijken. Er is niets mis mee om niet te geloven dat er niets buiten de werkelijkheid bestaat. Maar noem dat geen wetenschap, of rust in de wetenschap dat niet alles zich laat kennen. Paradoxaal genoeg kan juist die houding de meeste kennis opleveren.

Ongewenst verlangen

In Andrei Tarkovsky’s Stalker (1979) gidst een goedgelovige man een professor en een schrijver naar een verlaten natuurgebied, waar tijd verworden lijkt tot een artefact.[2] De bestemming is de zogeheten ‘Zone’, een plaats waar innerlijke wensen vervuld kunnen worden. Eenmaal ter plaatse treedt de ontgoocheling van de Stalker (=het woord voor gids) in: de professor heeft een kernwapen bij zich om het hart van de Zone te splijten. Het drietal keert onverrichter zake terug. De schrijver en de professor weigeren buiten de grenzen van de materiële werkelijkheid te redeneren. Die weigering legt een slot op hun verbeeldingsvermogen. Halsstarrig elimineren zij het Mogelijke.

In de slotscène houdt Tarkovsky echter een prachtig pleidooi voor het ongrijpbare verlangen van de tragische gids. Stalkers dochter zit aan een tafel terwijl zij een tweetal glazen met haar ogen weet te verplaatsen. Muziek van Beethoven klinkt op de achtergrond en een trein passeert.[3] Verwacht u een verklaring? Die is er niet. Maar het gebeurt wel.

Let everything that’s been planned come true. Let them believe. And let them have a laugh at their passions. Because what they call passion actually is not some emotional energy, but just the friction between their souls and the outside world. And most important, let them believe in themselves. Let them be helpless like children, because weakness is a great thing, and strength is nothing. When a man is just born, he is weak and flexible. When he dies, he is hard and insensitive. When a tree is growing, it’s tender and pliant. But when it’s dry and hard, it dies. Hardness and strength are death’s companions. Pliancy and weakness are expressions of the freshness of being. Because what has hardened will never win.[4]
-Stalker

Boek

Baudrillard, Jean. De Fatale Strategieën. Vertaald door Maurice Nio en Kees Vollemans. Amsterdam: Uitgeverij 1001, 2002 (vierde druk).

[1] Jean Baudrillard, De Fatale Strategieën (Amstersam: Uitgeverij 1001, 2002), 19.

[2] Stalker. Directed by Andrei Tarkovsky. 1979. New York: The Criterion-Collection, 2017. Blu-Ray.

[3] Stalker – Final Scene. Bron: https://www.youtube.com/watch?v=dNiVFCWMrqI. Geraadpleegd op 13-1-2018.

[4] Quote uit Stalker (1979), afkomstig van Stalker zelf. Bron: http://www.imdb.com/title/tt0079944/quotes. Geraadpleegd op 13-1-2018.

Dit essay (We zijn het weten kwijt: Naar een pleidooi voor de schoonheid van het niet-weten) schreef ik uit voor het vak Cultuurkritiek (UAntwerpen, oktober 2017-januari 2018).

4 gedachten over “We zijn het weten kwijt”

Geef een reactie