Essay: de rol van David Ben Goerion in Amos Oz’ Judas

Wie mij een beetje kent, weet misschien dat het Israëlisch-Palestijnse conflict mijn bijzondere interesse heeft. De heftige actualiteit van deze weken bracht én brengt me weer terug naar de cursus die ik over deze complexe politiek-historische situatie heb gevolgd. Ik schreef destijds over een boek dat het verleden heel dichtbij brengt: Judas van de Israëlische schrijver Amos Oz. Een aanrader voor diegenen die meer willen voelen en begrijpen van een realiteit die zich maar al te vaak tot onoverbrugbare tegenstellingen laat herleiden. 

‘Ik beschouw Ben Goerion als de grootste joodse leider van alle generaties. Groter dan koning David. Misschien wel een van de grootste staatslieden in de wereldgeschiedenis’.[1] Rechtop zittend in zijn bed spreekt Gersjom Wald met Sjmoeël Asj, de getroebleerde jongeman die hem verzorgt en een luisterend oor is als Walds herinneringen hun weg naar de oppervlakte vinden. Het gesprek tussen Wald en Sjmoeël bruist van het realisme, van historisch bewustzijn, pijn en opgekropte tragiek. Toch zijn de gesprekspartners gefingeerd, de herinneringen het product van een schrijverspen. Amos Oz (1939-) schreef Judas in 2015. Het verhaal situeerde hij in de winter van 1959-1960. Topos is Jeruzalem. Oz’ thuisstad, maar ook de plaats waar het Midden-Oostenconflict zich op iedere straathoek laat voelen. Hier vervaagt de grens tussen fictie en werkelijkheid. Door de oogkleppen van Wald, een imaginaire getuige van de onafhankelijkheidsoorlog (1948), kijken we naar een verleden dat nog altijd leeft.

In dit essay vernauw ik mijn blik op een wijze die het openingscitaat al ingaf. Ik richt me op de positionering van één van de sleutelfiguren binnen het conflict. David Ben Goerion (1886-1973) was vanaf de stichting van de staat Israël tot en met 1963 premier (in twee termijnen) en minister van defensie ineen. Waar de feiten eindigen begint de mythe. De private Ben Goerion was niet de publieke Ben Goerion, de Ben Goerion van de zionisten was niet de Ben Goerion van de antizionisten. De centrale vraag van dit essay is hoe de roman Judas haar personages gebruikt om een eigen beeld te scheppen van Ben Goerion. Een eventuele auteursintentie laat ik bewust buiten beschouwing. In Judas lijkt de stem van een politiek geëngageerde auteur (Oz is zelf een fervent voorstander van een twee statenoplossing) evident door te klinken, maar mijn doel is niet die stem te lokaliseren en uit te lichten. Wél wil ik in dit essay het grijze gebied tussen fictie en historiografie betreden. Ik kijk hoe visies op Ben Goerion die in geselecteerde passages uit Judas naar voren komen zich verhouden tot enkele historiografische typeringen van Ben Goerions politieke en persoonlijke karakter. Ik spits me in het vergelijken van de Ben Goerion(s) uit Judas en de historiografische Ben Goerion(s) in tweede instantie toe op een specifieke casus, namelijk de Sinaï campagne (1956).

Ben Goerion: een algemene typering

 Historische figuren worden doorgaans het best zichtbaar door de ogen van degenen die naast hen stonden. Niet voor niets gaan biografen altijd op zoek naar primair bronmateriaal; de waarheid van de tijdgenoot wordt de waarheid van ons allemaal. In Judas vertelt Gersjom Wald de vijfentwintigjarige Sjmoeël over het leven van zo’n tijdgenoot. Sjealtiël Abarbanel was in de periode voor de stichting van de staat Israël één van de leiders van de Jewish Agency.  Abarbanels openlijke verzet tegen het zionistische ideaal van een joodse staat bracht hem in conflict met de voorman van de Jewish Agency, die dat ideaal in 1948 zou realiseren.[2] Abarbanel probeerde Ben Goerion ervan te overtuigen dat het nog mogelijk was in samenwerking met de Arabieren de Britten te verdrijven en een twee statenoplossing te realiseren, mits Ben Goerion het idee van een joodse staat zou willen opgeven. Aberbanels in retrospectief haast utopische visie kostte hem zijn plaats binnen de Jewish Agency.[3]

Dat is direct ook waar het persoonlijk wordt. De naam van Abarbanel gaat terug op het huis waar Gersjom Wald en Sjmoeël herinneringen samenbrengen, het huis waarin verschillende stemmen in het conflict samenkomen. Het was namelijk Atalja Aberbanel, de dochter van de inmiddels overleden Sjealtiël, die Sjmoeël liet komen om Gersjom ’s avonds te verzorgen en gezelschap te houden. Atalja is zo mogelijk nog antizionistischer dan haar vader, terwijl Wald zich expliciet vóór Ben Goerion uitspreekt. Vanwaar deze twee tegenpolen in één huis? Het antwoord laat zich vinden in Gersjoms zoon. We eten dat hij is omgekomen tijdens de oorlog van 1948, maar we weten ook dat Atalja zijn weduwe is. Het maakt Gersjom Wald tot de schoonvader van een vrouw wiens ideeën niet de zijne zijn. ‘Ikzelf, ik erken het zonder schaamte, stond in deze controverse aan de kant van het meedogenloze realisme van Ben Goerion en niet aan de kant van de ongefundeerde ideeën van Abarbanel’, stelt Gersjom.[4]

Wie wordt Ben Goerion in de ogen van een man die volledig aan zijn kant stond? Een ideaalbeeld, een utopie. De wisselwerking tussen Gersjom en Sjmoeël scheidt blinde visie van nuance; het is Sjmoeël die het idealisme van Gersjom in een breder raamwerk plaatst. Een raamwerk waar ruimte is voor kritiek. Sjmoeël stelt dat één van de grootste existentiële problemen van de staat Israël besloten ligt in de wil de Arabieren op termijn te laten zwichten. Het idee dat zij zich uiteindelijk over zullen geven, en daarmee van een vijand in een kameraad zullen veranderen.[5] De hamvraag in historische context is hier of Ben Goerion dat daadwerkelijk dacht. Is het niet eerder zo dat Ben Goerion wel wist dat de Arabieren zouden vasthouden aan hun idealen, maar dat niet openbaar toe wilde geven? De Israëlische historicus Avi Shlaim (1945-) stelt in zijn boek The Iron Wall: Israel and the Arab World (2000) dat Ben Goerion’s privé-opstelling altijd danig verschilt heeft van de manieren waarop hij zich openbaar uitte. Shlaim noemt Ben Goerion een pragmatische politicus, die heel goed wist dat de Arabieren niet uit zichzelf zouden vertrekken. In dat verband was de gezochte toenadering ten aanzien van de verschillende Westerse grootmachten niet ideologisch, maar praktisch van aard.[6] Tijdens de Tweede Wereldoorlog kon Ben Goerion assertiever worden in het benoemen van het recht dat de Joden hadden op een eigen staat, waarbij het eventuele recht van de Palestijnen nog verder ondergeschoven werd.[7] In de context van de vervolgingen die de joden te verduren hadden was Ben Goerions claim logischerwijs sterker en urgenter.

Een andere Israëlische historicus, Yechiam Weitz (1951-), heeft betoogd dat Ben Goerion in privésfeer leed onder de existentiële angst dat de staat Israël zou doven in het felle vuur van de geschiedenis, en dat zijn weigering compromissen te sluiten met de Arabieren indirect een weerspiegeling was van die angst.[8] Beide standpunten plaatsen het gesprek tussen Gersjom en Sjmoeël in een ander voetlicht. Gersjom ziet enkel een krachtige publieke figuur, ook al was de vader van zijn schoondochter één van Ben Goerions naaste vertrouwenspersonen. Sjmoeël plaatst de nuances wel, maar ziet het pragmatisme en de angst niet. Het zijn logische denkbeelden voor een tijd waarin de historiografische kritiek van historici als Shlaim nog niet ter sprake was. Een tijd waarin er nog geen nederzettingen waren, en waarin de significante omslag richting een meer religieus georiënteerd zionisme zich nog niet voltrokken had.[9]

Ben Goerion: de Sinaï-campagne (1956)

 Als Gersjom en Sjmoeël spreken over de Sinaï-campagne, wordt nog zichtbaarder dat percepties zich altijd sterk tot de tijd verhouden. In Oz’ roman ligt 1956 net vier jaar achter de converserende hoofdpersonen, en is ze nog niet overschaduwd door de Zesdaagse Oorlog van 1967. Hoe verhouden de oraties van Gersjom en Wald zich tot een greep uit recentere historiografie?

Een kleine historische toelichting is daarvoor in eerste instantie op zijn plaats. In 1956 coördineerde Ben Goerion in samenwerking met Britse en Franse troepen de invasie van het Egyptische Sinaï-gebied.[10] De afspraak was dat Israëlische troepen het Egypte van de toenmalige Arabische president Gamar Abdel Nasser (1918-1970) zouden binnenvallen, terwijl een Frans-Britse coalitie het Suezkanaal zou vorderen en een algemeen staakt-het-vuren zou uitroepen. In de korte oorlog die volgde kreeg Israël de Gazastrook en een groot deel van het verlangde Sinaï-gebied in handen. Alhoewel de militaire troepen zich uiteindelijk onder druk van de VN en de Verenigde Staten weer geheel uit die gebieden terugtrokken, was de toon gezet voor een relatief vredige situatie die elf jaar zou blijven bestaan.[11]

In de gesprekken tussen Gersjom en Sjmoeël klinkt van zo’n relatief vredige situatie weinig door. Begrijpelijk ook; een oplossing voor het Arabisch-Israëlische conflict diende zich tussen 1956 en 1967 geenszins aan. Waar Gersjom met betrekking tot de Sinaï-campagne duidelijk zijn sympathie voor Ben Goerion uitspreekt, komt Sjmoeël met kritische noten. Het probleem ligt hem, bij monde van de jonge intellectueel, bij Ben Goerions verwerping van de Israëlische non-identificatiepolitiek. Door zich politiek openlijk te verbinden aan twee westerse grootmachten op hun retour (Groot-Brittannië en Frankrijk) verstrikte de premier zijn staat in een verbond met zinkende schepen.[12] Binnen die redenatie is de westerse collaboratie niet pragmatisch, maar een bron van verdere polarisatie tussen Arabieren en Joden. Voor Sjmoeël geen benefit of hindsight, maar gegronde angst voor de toekomst:

‘Nasser is zich nu immers aan het bewapenen met het beste en meest omvangrijke Sovjetwapentuig, en spreekt openlijk over een volgende ronde’.[13]

Sjmoeël kreeg gelijk. Het verhaal van 1967 begon bij een door Nasser geïnitieerde troepenverplaatsing.[14] Gersjom kan zich hier enkel op persoonlijke grond verdedigen. ‘Heb ik mijn enige zoon dan alleen maar verloren om de ramp die volgens jou onafwendbaar is een beetje uit te stellen?’ zegt de man na Sjmoeëls lange redevoering.[15] Daarna wordt er gezwegen, maar er is ook begrip.

 Conclusie

 De woorden die Gersjom en Sjmoeël wisselen zijn sterk ingebed in de tijd en de persoonlijke achtergronden van de bevlogen woordvoerders. Het door Gersjom gedeelde idealisme van Ben Goerion kan niet los gezien worden van de angst dat zijn zoon misschien een zinloze dood gestorven is. Kennis van Ben Goerions eigen existentiële angsten en zijn politieke pragmatisme lijkt bij Gersjom te ontbreken. Sjmoeël herkent en benoemt dat pragmatisme wel deels, maar ziet het louter als een fout, een zwakte die de Arabieren en de Joden nog verder tegen elkaar op zal zetten.

Shlaim en Weitz komen in retrospectief tot andere inzichten waar het Ben Goerions publieke en private idealen, zijn pragmatisme en de betekenis en duiding van de Sinaï-campagne betreft. Dat neemt niet weg dat de twee historici net als Gersjom en Wald deel zijn van een geschiedenis die tegelijk ook het heden en de toekomst beslaat. Gersjom en Wald zijn fictieve personages, maar hun visies op het conflict laten zich historisch naadloos inpassen. In dat ene huis in Jeruzalem vervaagt de grens tussen fictie en werkelijkheid, en komt de geschiedenis ineens angstvallig dichtbij.

Bibliografie

Don-Yehiya, Eliezer. ‘’Jewish Messianism, Religious Zionism and Israeli Politics: the Impact and Origins of Gush Emunim’’. Middle Eastern Studies 23 (1987): 215-234.

Oz, Amos. Judas. Amsterdam: De Bezige Bij, 2015.

Reich, Bernard. “The Founding of Modern Israel and the Arab-Israeli Conflict’’, in Cambridge Guide to Jewish Religion, History and Culture, edited by J.R. Baskin and Kenneth Seeskin, 258-287. Cambridge: Cambridge University Press, 2010.

Shlaim, Avi. The Iron Wall: Israel and the Arab World. Londen: Penguin Books, 2000.

Weitz, Yechiam. ‘’The End of the Beginning: Towards an Understanding of the Term ‘the Beginning of the State of Israel’’’. Middle Eastern Studies 31 (1995): 671-690.

Noten

[1] Amos Oz, Judas (Amsterdam: De Bezige Bij, 2015), 291.

[2] Oz, Judas, 49.

[3] Oz, Judas, 133, 259.

[4] Oz, Judas, 133.

[5] Oz, Judas, 137.

[6] Avi Shlaim, The Iron Wall: Israel and the Arab World (Londen: Penguin Books, 2000), 17-18.

[7] Shlaim, The Iron Wall, 23.

[8] Yechiam Weitz, ‘’The End of the Beginning: Towards an Understanding of the Term ‘the Beginning of the State of Israel’’’, Middle Eastern Studies 31 (1995): 677, 679-680.

[9] Eliezer Don-Yehiya, ‘’ Jewish Messianism, Religious Zionism and Israeli Politics: the Impact and Origins of Gush Emunim’’, Middle Eastern Studies 23 (1987): 222, 228-229.

[10] Geografisch gaat het hier om het schiereiland dat een brug vormt tussen Azië en Afrika. De landengte van Suez verbindt het Sinaï-gebied met de rest van Egypte, terwijl het zuidelijk van de engte gelegen Suezkanaal het verdere Afrikaanse vasteland scheidt van het Midden-Oosten.

[11] Weitz, ‘’the End of the Beginning’’, 680. Bernard Reich, “The Founding of Modern Israel and the Arab-Israeli Conflict’’, in Cambridge Guide to Jewish Religion, History and Culture, ed. J.R. Baskin et al. (Cambridge: Cambridge University Press, 2010), 274.

[12] Oz, Judas, 132-133, 136.

[13] Oz, Judas, 135.

[14] Reich, ‘’The Founding of Modern Israel’’, 274.

[15] Oz, Judas, 137.

Judas – Amos Oz (Nederlandse vertaling Hilde Pach)

Ik schreef dit essay oorspronkelijk onder Dr. Joas Wagemakers en Dr. Eric Ottenheijm bij het vak ‘Midden-Oostenconflict in de Literatuur. April 2017, Universiteit Utrecht.

Geef een reactie