Tagarchief: paper

Filmanalyse: North by Northwest (Alfred Hitchcock, 1959)

Momenteel ben ik me binnen mijn master Filmstudies & Visuele Cultuur aan het voorbereiden op een ‘klassieke’ filmanalyse.  Die gelegenheid doet me terugdenken aan de laatste en enige keer (tot nu toe) dat ik me hier aan de universiteit mee bezighield: in het tweede jaar van m’n bachelor. Ik schreef toen samen met twee medestudenten een uitgebreide analyse van een sequentie uit North by Northwest, een film die je gerust kunt bestempelen als de eerste échte James Bond-film (met een knipoog). Een deel van de sequentie is in filmvorm terug te zien onder de titel; wie vervolgens ook wil bekijken hoe uitgebreid zo’n analyse vorm kan krijgen (o.a. aan de hand van een shot-to-shot-analyse), kan het gehele paper daaronder terugvinden. De enige disclaimer is dat ik dit paper dus zeker niet in m’n ééntje heb geschreven:)

Lees verder Filmanalyse: North by Northwest (Alfred Hitchcock, 1959)

The house is bleeding: an allegorical interpretation of mother!

Last tuesday I went to the theater to watch Darren Aronofsky’s mother! again. For those who wonder: nobody forced me to do that. I chose to feel uncomfortable for two more hours, to delve myself deeper into a story that got its hold on me all week long. This is a cinematic nightmare that will divide people for the years to come. It already does: mother! received an F-rating from the American cinema public, but there are many voices proclaiming the very same movie is an absolute masterpiece.

Lees verder The house is bleeding: an allegorical interpretation of mother!

Paper: The Night of the Hunter (1955) als een christelijk-moralistisch sprookje

Voor een vak over Heilige schriftteksten in Islam, Christendom, Jodendom en Hindoeïsme schreef ik een paper over één van mijn favoriete films: The Night of the Hunter (1955). Ik heb een nobele poging gewaagd te kijken naar de manier waarop Bijbelteksten en tradities van christelijke beeldvorming deze film vorm geven. Daarnaast probeer ik aan te tonen dat The Night of the Hunter in wezen een (anti-?)christelijk-moralistisch sprookje is, waarbinnen we goed en kwaad zien door de ogen van twee jonge kinderen.

Lees verder Paper: The Night of the Hunter (1955) als een christelijk-moralistisch sprookje

Blog Filosofie en Religiekritiek: Wonder Woman (2017) als religieuze allegorie

Toen ik op de premièredag Wonder Woman bezocht, had ik geen idee dat ik de film in een later stadium zou gebruiken voor een (semi-)academisch essay. Ik zag de nieuwste DC-vondst ‘uiteraard’ voor m’n eigen vermaak, in de hoop dat de studio haar falen bij Batman vs Superman en Suicide Squad enigszins zou compenseren. Des te verbaasder was ik toen ik tijdens de film ineens allerlei vernuftige verwijzingen voorbij zag komen; niet alleen naar mythologie (Wonder Woman is een mythologisch personage, logisch dus), maar ook naar religie/christendom, visies op ethiek en filosofie en naar verschillende wereldbeelden.

Lees verder Blog Filosofie en Religiekritiek: Wonder Woman (2017) als religieuze allegorie

Bachelor eindscriptie: negatieve christelijke beeldvorming over Joden in het ‘Boek van de wraak Gods’

Ik kon het in april eigenlijk al zeggen: ik ben afgestudeerd! De afgelopen drie jaar heb ik geschiedenis gestudeerd in Utrecht, met uitstapjes naar religiewetenschap, film, filosofie en zelfs literatuurwetenschap. Alhoewel mijn ‘ultieme’ interesses steeds meer in de richting van religie en film verschoven, wilde ik mijn scriptie sowieso over een ‘echt’ geschiedenisonderwerp schrijven. In november 2016 zocht ik mijn docent middeleeuwen uit het eerste jaar op en ging ik aan de slag…

Lees verder Bachelor eindscriptie: negatieve christelijke beeldvorming over Joden in het ‘Boek van de wraak Gods’

Te gast als filmrecensent bij een talkshow over Jezus Christus

Op donderdag 26 januari was ik in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam aanwezig bij de opnames van de RWW-show. Een tijdje daarvoor was ik gevraagd om in het kader van het onderwerp ‘Jezus Christus’ aan te schuiven als filmrecensent. Het idee was dat ik iets zou vertellen over filmfragmenten die betrekking hebben op Jezus en over de rol van het christendom in de Nederlandse (film)cultuur.

Lees verder Te gast als filmrecensent bij een talkshow over Jezus Christus

Essay: ‘de Auteur is dood’ onder een kritisch voetlicht

Het is een even gewichtige als gewaagde uitspraak: ‘de auteur is dood’. Wat bedoelde Roland Barthes toen hij in 1967 een essay publiceerde met deze these als uitgangspunt?[1] Welnu, kort gezegd komt de opvatting van de ‘dode’ auteur erop neer dat een roman of een andersoortig talig (kunst)werk begrepen kan worden zonder te kijken naar het bewustzijn dan wel naar de intenties van de auteur van dat werk. De (literatuur)criticus is daarbij in staat door middel van structuralistische analyse duiding te geven aan het bewuste werk.[2] In dit essay zal ik dit principe van structuralistische analyse aan een kritische revisie onderwerpen. De nadruk zal hierbij eerst liggen op de wijze waarop het structuralisme in de taalkunde en de literatuurtheorie tot uiting is gekomen. In een later stadium komen ook de consequenties van deze uitingen voor de geschiedschrijving aan bod.

Dit essay bestaat uit vier delen. In eerste instantie zal ik summier de stroming van het structuralisme toelichten. Ik spits me hierbij vrijwel direct toe op de centraal staande casus, namelijk de toepassing van het structuralisme binnen de literatuurtheorie. Vervolgens benoem ik enkele bezwaren tegen deze methodologie. In de derde plaats zal ik aandacht besteden aan de reacties van structuralisten op twee kritiekpunten die zij vaak te verduren krijgen. Deze reacties zal ik weer pogen te weerleggen. Afsluitend vat ik mijn kritiek op het structuralisme samen, waarbij ik kort zal reflecteren op de vraag in hoeverre het alternatief (agency) wel volstaat.

Theoretische inbedding

Onder het structuralisme wordt de opvatting verstaan dat (primair sociale) verschijnselen zich laten verklaren door structuren die zich buiten het bestudeerde subject bevinden en dus ‘objectief’ te noemen vallen. De Zwitserse taalkundige Ferdinand de Saussure wordt doorgaans beschouwd als de grondlegger van het structuralisme binnen de taalkunde. De Saussure zag taal als een autonome structuur, die vorm geeft aan iedere uiting van taalgebruik op een bepaald moment in de tijd. Waar taalgebruik (parole) aan constante verandering onderhevig is, is het overkoepelende taalsysteem (de langue) eenvormig en vaststaand. Volgens de Saussure zou om die reden de studie van het ‘objectieve’ taalsysteem voorrang moeten krijgen. [3] In de loop van de jaren zestig van de vorige eeuw raakte de Saussure’s taaltheorie in bredere kring bekend, en kwam ze ten grondslag te liggen aan diverse nieuwe, vaak meer radicale opvattingen binnen de taal-en literatuurtheorie.[4]

Roland Barthes staat bekend als één van de denkers die zich de structuralistische methode binnen de taal-en literatuurtheorie eigen heeft gemaakt. Barthes onderzocht de vaak indirecte claim van historici dat hun werk een objectief beeld van de historische werkelijkheid verschaft. Hij concludeerde dat die claim onrechtmatig is, omdat historici meer bezig zijn met het toekennen van interpretatie en betekenis dan met historische feiten. De relatie van de onderzoeker tot het verleden kan niet bestaan zonder taal als een intermediair, en te allen tijde interpretatief verschijnsel.[5] Zodoende jaagt de historicus die wil weten ‘wie es eigentlich gewesen’ een illusie na, en dient zijn focus te verleggen van de intenties van de auteur naar de overkoepelende talige structuren die vorm geven aan de tekst. In dit verband genereert Barthes het idee van een ‘dode auteur’; iedere tekst wordt namelijk primair gevormd door een taalsysteem van vaste tekens (signifiants), waarop de auteur geen enkele grip heeft. Duiding en betekenisgeving zijn een product van de inspanning van de lezer, en niet van de auteur.[6]

Kritiek op Barthes en de Saussure

Op deze opvattingen van Barthes valt het een en ander aan te merken. In de eerste plaats is zijn conclusie over de aard van (historische) feiten tamelijk paradoxaal. ‘Feiten’ zijn volgens Barthes talig en daardoor hoogst interpretatief, maar tegelijk werkt Barthes wel de schijn op dat er zoiets als een reëel en buitentalig geheel aan feiten bestaat.[7] Dit roept de volgende vraag op: als Barthes van mening is dat de werkelijkheid talig en interpretatief is, hoe weet hij dan dat er een reële en objectieve werkelijkheid buiten de taal bestaat? Naar Barthes’ inzicht stelt de historicus die poogt het verleden ‘objectief’ te interpreteren begrippen of ideeën (signifiées) onterecht gelijk aan de referenten in de (historische) werkelijkheid. Daarbij maakt hij zich schuldig aan performatieve taalhandelingen.[8] Is het echter niet zo dat Barthes evengoed performatief te werk gaat? Aan zijn opvatting van een objectief taalsysteem ligt immers een vergelijkbare waarheidsclaim ten grondslag.[9]

Een tweede kritiekpunt richt zich op de bruikbaarheid van Barthes’ structuralistische methode. Is het begrip structuur niet veel te abstract en te algemeen om als valide aanknopingspunt te dienen voor tekstanalyse? Is specifieke duiding van een tekst nog wel mogelijk als de historicus zich conformeert aan het gebruik van overkoepelende structuren, die tamelijk reductionistisch zijn ten opzichte van de complexe aard van menselijk handelen? Mocht dit al mogelijk zijn, dan lijken in tweede instantie de grenzen zoek voor de bepaling van criteria voor een al dan niet adequate structuralistische analyse. Een structuralist zal snel geneigd zijn benadering als waar aan te merken en het beter te weten dan de historicus, omdat hij zich, in het geval van de literatuurtheorie, beroept op het ‘objectieve’ taalsysteem. Geldt dat echter ook als een structuralistische benadering in strijd is met andersoortige inzichten die een andere kant op wijzen?

Zo objectief is de structuralistische benadering daarnaast helemaal niet. Alleen al het isoleren van de betekenissen die volgens de structuralist subjectief zijn, vereist interpretatie.[10] Ook het taalsysteem is een subjectief construct. De keuzes die Ferdinand de Saussure maakte toen hij langue definieerde hadden net zo goed anders kunnen uitvallen.[11] De structuralist ontkomt niet aan een stukje hermeneutiek, maar dreigt dit te ontkennen door zich vast te klampen aan de claim van objectiviteit die vaak inherent is aan zijn methodische inslag.

Structuralistisch verweer

Bovengenoemde argumenten zijn structuralisten niet vreemd. In hun discussies met intentionalisten hebben zij zich meermaals moeten verdedigen tegen verwijten van valse objectiviteit en overtrokken geloof in structuren. Een eerste probleem dat zij geneutraliseerd hebben is dat van de zogeheten ‘citrusperstechniek’. Intentionalisten problematiseren het gegeven dat structuralisten betekenissen genereren die de bedoeling van de auteur ontstijgen. Structuralisten wijzen die kritiek vrij resoluut van de hand, daar zij menen dat de bedoeling van de auteur niet te achterhalen valt. Het is dus eerder een voordeel, en misschien zelfs een vereiste dat de betekenissen die de structuralist vergaart de bedoeling van de auteur ontstijgt. De opvatting dat de bedoeling van de auteur niet te achterhalen valt is echter zeer discutabel. Het is zeker zo dat iedere tekst talig is en dat de interpretatie daarvan nooit geheel objectief is, maar de historicus heeft meer tot zijn beschikking dan alleen de tekst. Door diepgravend onderzoek te verrichten naar de historische context waarbinnen een specifieke auteur schreef, kunnen wel degelijk nuttige inzichten over de bedoelingen van de auteur naar voren worden gebracht. De kunst is hierbij niet om die inzichten zonder meer een waarheidsclaim mee te geven, maar om ze plausibel te maken en ze zo goed mogelijk te onderbouwen.

Een tweede verweer van structuralisten (en vooral ook van postmodernisten) tegen intentionalistische kritiek betreft de verwerping van het idee dat structuren even zo subjectief zijn als historische verhandelingen. De literatuurcriticus Hayden White heeft er namelijk op gewezen dat die historische verhandelingen vrijwel altijd in een narratieve mal zijn gegoten: de historische ‘feiten’ worden in vaste verhaalvormen geplaatst, die vaak een sterk fictioneel karakter hebben.[12] Die notie van de zogeheten ‘narratieve geschiedschrijving’ dient echter niet overtrokken te worden. Ja, het is zo dat de geschiedenis vaak mede gevormd is door narratieve componenten die ook in fictie voorkomen. Dat wil echter niet zeggen dat elke historicus fictie schrijft.[13]. De structuralistische criticus die teveel nadruk legt op de narratieve functie van geschiedschrijving, degradeert het werk van de historicus op basis van argumenten die te ver zijn doorgetrokken, en tevens in een te grote mate ontleend zijn aan de literatuurwetenschap.

Conclusie

In dit essay heb ik een kritische revisie geboden op het structuralisme, waarbij ik me primair heb georiënteerd op de toepassing binnen de taal-en literatuurtheorie. In eerste instantie heb ik die toepassing kort geduid, waarbij ik de theorieën van Ferdinand de Saussure en Roland Barthes summier heb samengevat en als uitgangspunt voor verdere kritiek heb genomen. De eerste twee kritiekpunten heb ik gedestilleerd uit de denkbeelden van Barthes. Zijn conclusie over de aard van ‘feiten’ is paradoxaal, omdat hij van mening is dat ieder ‘feit’ interpretatief is, maar dat er toch een reële werkelijkheid bestaat buiten de wereld van de taal. De performatieve handelingen waarvan Barthes historici beschuldigt, staan net zo goed aan de basis van zijn eigen werk. Het tweede kritiekpunt stelt vraagtekens bij de bruikbaarheid en grenzen van de structuralistische methode. Tenslotte heb ik aan de hand van de Saussure’s theorie van het taalsysteem mijn nuances geplaatst bij de vermeende objectiviteit van diezelfde methode. Het verweer van structuralisten tegen intentionalistische kritiek kent haar beperkingen. De these dat de bedoeling van de auteur niet te achterhalen valt, miskent het belang van historische context. De nadruk op de narratieve component in historische verhandelingen kan op haar beurt al snel leiden tot de overtrokken en onterechte notie dat historici zich schuldig maken aan het schrijven van fictie.

Na deze kritiek op de structuralistische methode blijft één significante vraag overeind. Als er teveel mankeert aan ‘structure’ om te dienen als een afdoende verklaring voor menselijk handelen in de geschiedenis, voldoet ‘agency’ dan wel? Het antwoord moet ik helaas in het midden laten. Ook het intentionalisme kent immers haar beperkingen. De subjectiviteit van taal(gebruik) vormt misschien wel het beste argument dat structuralisten voorhanden hebben, en ook context biedt niet altijd uitkomst. Zij het omdat de nodige bronnen niet voorhanden zijn, zij het omdat die context ook geïnterpreteerd moet worden. Het ‘antwoord’ op de ‘structure’ vs. ‘agency’-vraag is dan misschien ook wel dat er helemaal geen antwoord bestaat. Vooralsnog lijkt de beste modus operandi te liggen in een combinatie van beide methoden, waarin de kracht hem niet ligt in de afwerping van het ene, maar in de deelse incorporatie en omarming van het andere.

 

Literatuurlijst

Burke, John M., The Death and Return of the Author (Edinburgh 1989).

Goulimari, Pelagia, Literary Criticism and Theory: from Plato to postcolonialism (New York 2015).

Leezenberg, Michiel en Gerard H. de Vries, Wetenschapsfilosofie voor de Geesteswetenschappen (Amsterdam 2012).

[1] Barthes’ essay verscheen voor het eerst in het Engels in het Amerikaanse journal Aspen 5-6 (1967).

[2] Michiel Leezenberg en Gerard H. de Vries, Wetenschapsfilosofie voor de Geesteswetenschappen (Amsterdam 2012) 238.

[3] Leezenberg en de Vries, Wetenschapsfilosofie, 224-25, 234.

[4] Ibidem, 237,247.

[5] Ibidem, 164. Pelagia Goulimari, Literary Criticism and Theory: from Plato to postcolonialism (New York 2015) 285.

[6] Ibidem, 164-65. Goulimari, Literary Criticism and Theory, 288-89.

[7] Ibidem, 165.

[8] Performatieve taalhandelingen zijn taalhandelingen die iets teweeg brengen in de fysieke wereld, en dus, met name in dit geval, een claim van waarheid over de (historische) werkelijkheid bevatten. Ibidem, 165.

[9] John M. Burke, The Death and Return of the Author (Edinburgh 1989) 8-10, 186-87.

[10] Ibidem, 245.

[11] Ibidem, 235.

[12] Ibidem, 165-66.

[13] Ibidem, 167.

dit essay verscheen oorspronkelijk onder de volgende titel:

De auteur is dood: een kritische revisie van de structuralistische methode binnen de literatuurtheorie

Paper vak Christendom: motieven voor de veroordeling van de Tempeliersorde

0709b

In september en oktober 2016 volgde ik het vak Christendom: van beweging tot wereldreligie. Het vak was onderdeel van de minor religiestudies, en behandelde naast de bekende westerse perspectieven gelukkig ook continenten als Afrika en Zuid-Amerika. Mijn paper voor het vak was weer wat westerser geconcentreerd, en is hieronder terug te lezen. Het onderwerp: het proces tegen de Tempeliersorde (1307-1312), en specifieker de relatie tussen religieuze en politieke motieven in de veroordeling van de beschermers van het Heilige Land.

Lees verder Paper vak Christendom: motieven voor de veroordeling van de Tempeliersorde

Paper Inleiding Religiestudies: Karl Marx’ visie op religie

karl_marx

Momenteel volg ik op de uni de minor Religiestudies. Naast drie cursussen over respectievelijk het jodendom, het christendom en de Islam, volg ik een algemeen inleidend vak waarbinnen de vijf grootste godsdiensten en de belangrijkste theorieën over religie summier aan bod komen. De opdracht voor een paper was om in een kritische beschouwing te schrijven over een belangrijke, invloedrijke religietheorie. Het resultaat, een paper over Karl Marx’ visie op religie, is hier terug te vinden.

Lees verder Paper Inleiding Religiestudies: Karl Marx’ visie op religie

Paper: Het Bijbelse motief van de Four Horsemen of the Apocalypse in de muziek van Muse en Coldplay

muse-black-holes-and-revelations-2006

Bovenstaande albumcover is van een album van de Britse rockband Muse, Black Holes and Revelations (2006). In het paper dat ik in de laatste periode van het schooljaar 2015/2016 schreef voor een cursus over de Bijbel, legde ik onder andere uit waarom deze cover en de Bijbel alles met elkaar te maken hebben…

Geïnteresseerd? Het hele paper is hieronder terug te vinden.

Lees verder Paper: Het Bijbelse motief van de Four Horsemen of the Apocalypse in de muziek van Muse en Coldplay